Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 4,79 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 2,87 (6% inclusief btw)
Dit product moet worden goedgekeurd door de apotheker.
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt
4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Bijzondere risicogroepen Patiënten die tot de volgende risicogroepen behoren dienen onder streng medisch toezicht en gedurende een zo kort mogelijke periode behandeld te worden: kinderen, diabetici, hypertensieve patiënten, patiënten met psychiatrische antecedenten, patiënten met oculaire herpes simplex of zona met oculaire symptomen. De duur van de behandeling dient in het algemeen zo kort mogelijk gehouden te worden. Bij chronische behandelingen is medisch toezicht aangewezen (zie Dosering en wijze van toediening). Het afbouwen van een langdurige behandeling dient eveneens onder medisch toezicht te gebeuren (progressieve afbouw, evaluatie van de bijnierschorsfunctie). De belangrijkste symptomen van bijnierschorsinsufficiëntie zijn asthenie, orthostatische hypotensie en depressie. Immunosuppressieve effecten/verhoogde vatbaarheid voor infecties Corticosteroïden kunnen de gevoeligheid voor infecties verhogen, sommige symptomen van infectie maskeren, bestaande infecties verergeren, het risico op reactivatie of verergering van latente infecties vergroten en tijdens het gebruik ervan kunnen tevens nieuwe infecties optreden. Bij de aanwending van corticosteroïden kan een verminderde resistentie optreden alsook een onvermogen om de infectie te lokaliseren. Infecties met een ziekteverwekker, zoals bacteriën, virussen, schimmels, protozoa of wormen, overal in het lichaam, kunnen geassocieerd zijn met het gebruik van corticosteroïden en dit alleen of in combinatie met andere immunosuppressieve stoffen die een effect hebben op de cellulaire immuniteit, humorale immuniteit of neutrofiele werking. Deze infecties kunnen mild, maar ook ernstig en in sommige gevallen zelfs fataal zijn. Naarmate de corticoïddosis verhoogt, verhoogt het risico op infecties. Controleer op de ontwikkeling van infectie en overweeg indien nodig om de behandeling met corticosteroïden te staken of de dosering te verlagen. Mensen die immunosuppressiva gebruiken, zijn gevoeliger voor infecties dan gezonde mensen. Waterpokken en mazelen, bijvoorbeeld, kunnen bij niet-geïmmuniseerde kinderen of volwassenen die corticosteroïden gebruiken, ernstig of zelfs fataal zijn. Toediening van vaccins op basis van levend of levend verzwakte virussen is niet aanbevolen bij patiënten die immunosuppressieve doses van corticosteroïden toegediend krijgen. Dode of geïnactiveerde en biogenetisch bekomen vaccins mogen wel aan deze patiënten worden toegediend; de therapeutische reactie op deze vaccins kan echter verminderen of ze kunnen zelfs ondoeltreffend zijn. Bij patiënten die niet-immunosuppressieve doses van corticosteroïden ontvangen mogen de nodige immunisatieprocedures ondernomen worden. Het gebruik van corticosteroïden bij actieve tuberculose moet beperkt blijven tot gevallen van fulminerende of gedissemineerde tuberculose waarbij het corticosteroïd wordt gecombineerd met een aangepaste antituberculeuze behandeling. Wanneer de corticosteroïden worden gebruikt bij patiënten met latente tuberculose of positieve tuberculinereactie is een zorgvuldige controle noodzakelijk wegens mogelijke reactivering van de ziekte. Tijdens een langdurige corticotherapie zou aan deze patiënten een chemoprofylaxe moeten worden toegediend. Het optreden van het Kaposi-sarcoom werd gemeld bij patiënten die behandeld werden met corticosteroïden. Stopzetting van de behandeling met corticosteroïden kan tot klinische remissie leiden. De meningen zijn verdeeld over de rol van corticosteroïden bij septische shock, aangezien de eerste studies zowel gunstige als schadelijke effecten rapporteren. In een recentere studie is gesuggereerd dat de aanvullende toediening van corticosteroïden heilzaam zou kunnen zijn voor patiënten in een septische shock die lijden aan bijnierinsufficiëntie. In elk geval wordt het routinematig gebruik van corticosteroïden bij septische shock niet aangeraden en in een systematische review is geconcludeerd dat het kortdurende gebruik van hoge doses corticosteroïden niet geïndiceerd is. Meta-analyses en een literatuuronderzoek suggereren echter dat een langere behandeling (5-11 dagen) met corticosteroïden in lage doses de mortaliteit zou kunnen verlagen, met name bij patiënten die aan een septische shock lijden en een behandeling met vasopressoren nodig hebben. Immuunsysteemaandoeningen Allergische reacties (bijvoorbeeld Quincke-oedeem) zijn mogelijk. Aangezien zich in zeldzame gevallen huidreacties en anafylactische/anafylactoïde reacties hebben voorgedaan bij patiënten die parenteraal corticotherapie kregen toegediend, dienen vóór toediening van dit product alle nodige maatregelen te worden getroffen, vooral als de patiënt al eerder een allergische reactie heeft gehad op een vergelijkbaar geneesmiddel. Dit geneesmiddel bevat lactose vervaardigd van koemelk. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een bekende of vermoede overgevoeligheid voor koemelk, de bestanddelen ervan of andere zuivelproducten omdat deze sporen van melkbestanddelen kunnen bevatten. Endocriene aandoeningen Bij patiënten onder corticotherapie en onderworpen aan uitzonderlijke stress is een verhoging van de dosering van snelwerkende corticosteroïden aangewezen voor, tijdens en na de stress-situatie. Het gebruik van farmacologische doses corticosteroïden gedurende langere perioden kan een onderdrukking van de hypothalamus-hypofyse-bijnier met zich meebrengen (secundaire bijnierschorsinsufficiëntie). De ernst en de duur van de adrenocorticale insufficiëntie variëren afhankelijk van de patiënt en hangen af van de dosis, de frequentie, het moment van toediening en de duur van de behandeling met glucocorticoïden. Dit effect kan worden afgezwakt door de behandeling om de twee dagen toe te dienen (zie rubriek 4.2). Plotselinge stopzetting van glucocorticoïden kan bovendien leiden tot acute bijnierinsufficiëntie met een mogelijk dodelijke afloop. Geneesmiddelengebonden bijnierschorsinsufficiëntie kan worden beperkt door geleidelijke vermindering van de dosis. Dit type van relatieve insufficiëntie kan gedurende verschillende maanden na de stopzetting van de behandeling blijven bestaan. Daarom moet bij elke stress-situatie die zich tijdens deze periode voordoet opnieuw een hormoontherapie worden ingesteld. Na plotselinge stopzetting van glucocorticoïden kan eveneens een steroïden-ontwenningssyndroom optreden, dat duidelijk losstaat van de bijnierschorsinsufficiëntie. Dit syndroom gaat gepaard met de volgende symptomen: anorexie, nausea, braken, lethargie, hoofdpijn, koorts, gewrichtspijn, desquamatie, myalgie, gewichtsverlies en/of hypotensie. Het lijkt erop dat deze effecten het gevolg zijn van de plotselinge verandering van de concentratie glucocorticoïden en niet van de lage corticosteroïdenniveaus. Aangezien glucocorticoïden het syndroom van Cushing kunnen veroorzaken of verergeren, dienen deze middelen te worden vermeden bij patiënten met een dergelijk syndroom. Bij patiënten met hypothyreoïdie wordt een toegenomen werking van de corticosteroïden waargenomen. Thyreotoxische periodieke paralyse (TPP) kan optreden bij patiënten met hyperthyreoïdie en met door methylprednisolon geïnduceerde hypokaliëmie. TPP moet worden vermoed bij patiënten die worden behandeld met methylprednisolon en die tekenen of symptomen van spierzwakte vertonen, vooral bij patiënten met hyperthyreoïdie. Als TPP wordt vermoed, moet het kaliumgehalte in het bloed onmiddellijk worden gecontroleerd en adequaat worden behandeld om ervoor te zorgen dat het kaliumgehalte in het bloed weer normaal wordt. Voedings- en stofwisselingsstoornissen Corticosteroïden, waaronder methylprednisolon, kunnen de glykemie verhogen, reeds bestaande diabetes verergeren en het risico op diabetes verhogen bij patiënten die langdurige corticotherapie krijgen. Psychische stoornissen Bij gebruik van corticotherapie kunnen psychische stoornissen optreden gaande van euforie, slapeloosheid, humeurigheid, persoonlijkheidsveranderingen en ernstige depressie tot duidelijk psychotische verschijnselen. Emotionele instabiliteit en reeds bestaande psychotische neigingen kunnen worden verergerd door corticosteroïden. Met systemische steroïden kunnen zich potentieel ernstige psychische bijwerkingen voordoen (zie rubriek 4.8 Psychische stoornissen). De symptomen manifesteren zich meestal enkele dagen tot enkele weken na het begin van de behandeling. De meeste reacties verdwijnen na verlaging van de dosis of stopzetting van de behandeling, al kan een specifieke behandeling noodzakelijk blijken te zijn. Er zijn psychische effecten waargenomen na stopzetting van corticosteroïden; de frequentie hiervan is niet bekend. Patiënten/mantelzorgers dienen aangemoedigd te worden een arts te raadplegen als de patiënt last krijgt van psychische symptomen, vooral als hij/zij depressief lijkt of zelfmoordgedachten heeft. Patiënten/mantelzorgers moeten alert zijn op eventuele psychische problemen die zich tijdens of direct na een geleidelijke verlaging/stopzetting van systemische steroïden kunnen voordoen. Zenuwstelselaandoeningen Corticosteroïden dienen met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met convulsieve stoornissen. Corticosteroïden dienen met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met myasthenia gravis (zie ook de alinea over myopathie in de rubriek Effecten op het skeletspierstelsel). Er zijn gevallen van epidurale lipomatose gemeld bij patiënten die corticotherapie kregen, meestal bij langdurige behandeling en toediening van hoge doses. Oogaandoeningen Corticosteroïden moeten met voorzichtigheid worden aangewend bij patiënten met oculaire herpes simplex wegens mogelijke corneaperforatie. Langdurig gebruik van corticosteroïden kan leiden tot cataracta subcapsularis posterior, nucleair cataract (vooral bij kinderen), exoftalmie of een verhoogde intraoculaire druk die glaucoom met beschadiging van de gezichtszenuwen kan veroorzaken. Het gebruik van glucocorticoïden kan ook het optreden van secundaire ooginfecties bevorderen die te wijten zijn aan schimmels of virussen. Visusstoornis kan worden gemeld bij systemisch en topisch gebruik van corticosteroïden. Indien een patiënt symptomen ontwikkelt zoals wazig zien of andere visusstoornissen, dient te worden overwogen de patiënt door te verwijzen naar een oogarts ter beoordeling van mogelijke oorzaken waaronder cataract, glaucoom of zeldzame ziekten zoals centrale sereuze chorioretinopathie (CSCR) die zijn gemeld na gebruik van systemische en topische corticosteroïden. Corticotherapie is in verband gebracht met centrale sereuze chorioretinopathie, met mogelijke retinaloslating tot gevolg. Hartaandoeningen De bijwerkingen van glucocorticoïden op het cardiovasculaire systeem, zoals dyslipidemie en hypertensie, kunnen patiënten met cardiovasculaire risicofactoren die langdurig en met hoge doses worden behandeld, gevoeliger maken voor bijkomende cardiovasculaire bijwerkingen. Corticosteroïden dienen bij deze patiënten derhalve verstandig te worden ingezet en er moet goed worden gekeken naar de verandering in het risico en de noodzaak van aanvullende hartmonitoring. Een gealterneerde behandeling met lage doses kan de incidentie van complicaties van corticotherapie doen afnemen. Systemische corticosteroïden dienen met voorzichtigheid en uitsluitend indien het strikt noodzakelijk is, te worden gebruikt bij patiënten met congestief hartfalen. Bloedvataandoeningen Bij het gebruik van corticosteroïden is trombose, waaronder veneuze trombo-embolie, gemeld. Daardoor is voorzichtigheid geboden bij het gebruik van corticosteroïden door patiënten die trombo-embolische stoornissen hebben of er aanleg voor hebben. Corticosteroïden dienen met voorzichtigheid te worden gebruikt bij hypertensieve patiënten. Maagdarmstelselaandoeningen Hoge doses corticosteroïden kunnen een acute pancreatitis veroorzaken. De meningen zijn verdeeld over de verantwoordelijkheid van corticosteroïden voor de tijdens de behandeling opgemerkte gevallen van ulcus pepticum. Een behandeling met glucocorticoïden kan echter de symptomen van een ulcus pepticum maskeren zodat perforatie of hemorragie kan optreden zonder aanzienlijke pijn. Een behandeling met glucocorticoïden kan peritonitis maskeren, of andere tekenen of symptomen geassocieerd met maagdarmstelselaandoeningen, zoals een perforatie, obstructie of pancreatitis. Het gelijktijdige gebruik van corticoïden en NSAID's verhoogt het risico op een maagdarmulcus. Corticosteroïden dienen met voorzichtigheid te worden aangewend bij aspecifieke colitis ulcerosa, wanneer er kans is op imminente perforatie, abces of andere pyogene infecties, diverticulitis, recente darmanastomosen, actief of latent ulcus pepticum. Lever- en galaandoeningen Er werden zelden lever- en galaandoeningen gemeld en deze waren in het merendeel van de gevallen reversibel na staking van de behandeling. Passende controle is derhalve noodzakelijk. Effecten op het skeletspierstelsel Acute myopathie is gemeld bij gebruik van hoge doses corticosteroïden, meestal bij patiënten die leden aan stoornissen in de neuromusculaire transmissie (bijv. myasthenia gravis) of bij patiënten die een gelijktijdige behandeling met anticholinergica kregen zoals spierverslappers (bijv. pancuronium). Deze acute myopathie is gegeneraliseerd, kan de oog- en ademhalingsspieren aantasten en quadriparese veroorzaken. Verhogingen van de creatininekinase zijn mogelijk. Soms moet men weken tot jaren na de stopzetting van de behandeling met corticosteroïden wachten voordat er sprake is van een verbetering of klinisch herstel. Osteoporose is een frequente, maar zelden herkende bijwerking eigen aan het langdurige gebruik van hoge doses glucocorticoïden. Nier- en urinewegaandoeningen Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met gegeneraliseerde sclerose omdat er een verhoogde incidentie van sclerodermale niercrisis is waargenomen met corticosteroïden, waaronder methylprednisolon. Corticosteroïden dienen met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met nierinsufficiëntie. Onderzoeken Middelmatige en hoge doses hydrocortison of cortison kunnen arteriële hypertensie, natrium- en waterretentie en een verhoogde kaliumafscheiding veroorzaken. Deze effecten doen zich minder vaak voor met synthetische derivaten, tenzij deze in hoge doses worden toegediend. Een natriumarm dieet en kaliumsupplementen kunnen nodig zijn. Alle corticosteroïden verhogen de calciumuitscheiding. Er moet rekening gehouden worden met de corticotherapie bij de interpretatie van bepaalde biologische testen en parameters (o.a. huidtesten en schildklierhormoonspiegels). Letsels, intoxicaties en verrichtingscomplicaties Systemische corticosteroïden zijn niet geïndiceerd en mogen derhalve niet worden gebruikt voor de behandeling van traumatisch hersenletsel. Uit een multicentrisch onderzoek bleek dat patiënten die methylprednisolonnatriumsuccinaat hadden gekregen 2 weken en 6 maanden na het trauma een hogere mortaliteit hadden dan patiënten die placebo hadden gekregen. Er is geen oorzakelijk verband met de behandeling met methylprednisolonnatriumsuccinaat vastgesteld. Overige Aangezien de complicaties van de behandeling met glucocorticoïden afhangen van de hoogte van de dosis en de duur van de behandeling, dient er voor elk individueel geval een baten-/risicobeoordeling plaats te vinden in termen van dosering, duur van de behandeling en toedieningsfrequentie (dagelijkse of gealterneerde toediening). Voor de controle van de behandelde aandoening zou de laagst mogelijke dosis moeten worden gebruikt en wanneer verlaging van de dosis mogelijk is, moet deze geleidelijk zijn. Verwacht wordt dat gelijktijdige behandeling met CYP3A-remmers, waaronder geneesmiddelen die cobicistat bevatten, het risico op systemische bijwerkingen verhoogt. De combinatie moet worden vermeden, tenzij de voordelen zwaarder wegen dan het verhoogde risico op systemische corticosteroïde bijwerkingen, in welk geval patiënten moeten worden gecontroleerd op eventuele systemische corticosteroïde bijwerkingen (zie rubriek 4.5). Acetylsalicylzuur en niet-steroïdale anti-inflammatoire middelen dienen met voorzichtigheid te worden gebruikt in combinatie met corticosteroïden. Gelijktijdig gebruik van orale anticoagulantia en methylprednisolon kan het risico op bloedingen verhogen. Er zijn ook meldingen van verminderde effecten van orale anticoagulantia. Bij patiënten die behandeld worden met vitamine K-antagonisten wordt frequentere controle van de protrombinetijd (INR) aanbevolen, vooral tijdens de start van de behandeling of bij dosisaanpassingen van methylprednisolon (zie rubriek 4.5). Er is een feochromocytoomcrisis, die fataal kan zijn, gemeld na toediening van systemische corticosteroïden. Corticosteroïden mogen uitsluitend aan patiënten met een verdenking van feochromocytoom of een gediagnosticeerd feochromocytoom worden toegediend na een zorgvuldige baten-/risicobeoordeling. In postmarketingervaring is tumorlysissyndroom (TLS) gemeld bij patiënten met maligniteiten, waaronder hematologische maligniteiten en solide tumoren, na het gebruik van systemische corticosteroïden alleen of in combinatie met andere chemotherapeutica. Patiënten met een hoog risico op TLS, zoals patiënten met tumoren met een hoge proliferatiesnelheid, een hoge tumorlast en een hoge gevoeligheid voor cytotoxische middelen, dienen nauwlettend te worden gecontroleerd en er dienen passende voorzorgsmaatregelen te worden genomen. Dit geneesmiddel bevat lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose- intolerantie, algehele lactasedeficiëntie of glucose-galactose malabsorptie dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken. Dit geneesmiddel bevat sucrose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als fructose- intolerantie, glucose-galactose malabsorptie of sucrase-isomaltase insufficiëntie dienen dit geneesmiddel niet te gebruiken. Pediatrische patiënten De groei en de ontwikkeling van pasgeborenen en kinderen die een langdurige behandeling met corticoïden ondergaan, moeten nauwgezet gecontroleerd worden. Bij kinderen die gedurende lange tijd worden behandeld met glucocorticoïden in gespreide dagdoses kan groeiremming optreden. Alleen bij zeer ernstige indicaties is bijgevolg een dergelijk schema gewettigd. Deze bijwerking wordt meestal vermeden of tot een minimum herleid door toediening van glucocorticoïden volgens het gealterneerde schema (zie rubriek 4.2). Zuigelingen en kinderen die langdurig met corticoïden worden behandeld, lopen een verhoogd risico op intracraniale hypertensie. Hoge doses corticosteroïden kunnen bij kinderen een pancreatitis veroorzaken.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie Methylprednisolon is een substraat van het cytochroom P450 (CYP) en wordt voornamelijk gemetaboliseerd door het CYP3A4-enzym. CYP3A4 is het dominante enzym van de meest voorkomende CYP-subfamilie in de lever van volwassen mensen. Het katalyseert de 6ß-hydroxylatie van steroïden, de essentiële eerste metabole stap voor zowel endogene als synthetische corticosteroïden. Veel andere stoffen zijn eveneens substraten van CYP3A4. Sommige daarvan hebben (net als andere geneesmiddelen) aangetoond het metabolisme van glucocorticoïden te veranderen door inductie (upregulatie) of remming van het CYP3A4- enzym. CYP3A4-REMMERS, zoals ketoconazol, itraconazol, claritromycine en pompelmoessap, verlagen over het algemeen de leverklaring en verhogen de plasmaconcentratie van methylprednisolon. Bij aanwezigheid van een CYP3A4-remmer dient de dosering van methylprednisolon eventueel te worden verlaagd om steroïdtoxiciteit te voorkomen. CYP3A4-INDUCTOREN, zoals rifampicine, carbamazepine, fenobarbital en fenytoïne, verhogen over het algemeen de leverklaring en verlagen de plasmaconcentratie van methylprednisolon. Bij aanwezigheid van een CYP3A4-inductor dient de dosering van methylprednisolon eventueel te worden verhoogd om het gewenste effect te bereiken. Bij aanwezigheid van een ander CYP3A4-substraat kan de leverklaring van methylprednisolon worden beïnvloed, waardoor een overeenkomstige dosisaanpassing nodig zal zijn. Mogelijk treden bijwerkingen van ieder afzonderlijk geneesmiddel eerder op bij gelijktijdige toediening. Methylprednisolon heeft ook interacties met enkele andere geneesmiddelen die geen verband houden met de metabolisatie door CYP3A4.
In tabel 1 staat een lijst en beschrijving van de meest frequente en/of klinisch belangrijkste geneesmiddelinteracties en effecten die zijn waargenomen met methylprednisolon. Tabel 1. Belangrijke interacties/effecten van geneesmiddelen die zijn waargenomen met methylprednisolon Geneesmiddelklasse of -type - GENEESMIDDEL of STOF Interactie/Effect Antibiotica, antituberculosemiddelen - RIFAMPICINE CYP3A4-INDUCTOR Orale anticoagulantia (Vitamine K-antagonisten en niet�vitamine K-antagonisten)
De invloed van gelijktijdig gebruik van methylprednisolon met orale anticoagulantia kan variëren. Corticoïden kunnen de effecten van deze anticoagulantia bij gelijktijdig gebruik zowel versterken als verzwakken. Derhalve dient de mate van stolling van het bloed goed in de gaten te worden gehouden om de gewenste antistollingseffecten tot stand te brengen. Anticonvulsiva - CARBAMAZEPINE CYP3A4-INDUCTOR (en -SUBSTRAAT) Anticonvulsiva - FENOBARBITAL - FENYTOÏNE CYP3A4-INDUCTOREN Anticholinergica - SPIERVERSLAPPERS Corticosteroïden kunnen invloed hebben op de werking van anticholinergica. 1) Er is melding gemaakt van een acute myopathie bij gelijktijdig gebruik van hoge doses corticosteroïden en anticholinergica, zoals spierverslappers (zie voor meer informatie rubriek 4.4 Effecten op het skeletspierstelsel). 2) Er is melding gemaakt van een antagonistisch effect van de neuromusculair blokkerende werking van pancuronium en vecuronium bij patiënten die corticosteroïden gebruiken. Deze interactie kan zich voordoen bij alle competitieve spierverslappers. Antidiabetica - INSULINE - ORALE HYPOGLYKEMISCHE MIDDELEN Glucocorticoïden kunnen de behoefte van diabetici aan insuline of orale hypoglykemische middelen vergroten. Anti-emetica - APREPITANT - FOSAPREPITANT CYP3A4-REMMERS (EN -SUBSTRATEN) Antimycotica - ITRACONAZOL - KETOCONAZOL CYP3A4-REMMERS (EN -SUBSTRATEN) Antivirale middelen - HIV�PROTEASEREMMERS CYP3A4-REMMERS (EN -SUBSTRATEN) 1) Proteaseremmers, zoals indinavir en ritonavir, kunnen de plasmaconcentraties van corticosteroïden verhogen. 2) Corticosteroïden kunnen het metabolisme van hiv�proteaseremmers induceren met gereduceerde plasmaconcentraties tot gevolg.
Farmacokinetische versterkers - COBICISTAT CYP3A4-REMMERS Farmacokinetische versterkers remmen de activiteit van CYP3A4, hetgeen resulteert in een vermindering van de leverklaring en een verhoging van de plasmaconcentratie van corticosteroïden. Een aanpassing van de corticosteroïddosis kan vereist zijn (zie rubriek 4.4). Calciumkanaalblokkers - DILTIAZEM CYP3A4-REMMER (EN -SUBSTRAAT) Anticonceptiva (oraal) - ETHINYLESTRADIOL/ NORETHINDRON CYP3A4-REMMER (EN -SUBSTRAAT) - POMPELMOESSAP CYP3A4-REMMER Immunosuppressiva - CICLOSPORINE
CYP3A4-REMMER (EN -SUBSTRAAT) 1) Gelijktijdige toediening van ciclosporine en methylprednisolon geeft aanleiding tot een wederzijdse inhibitie van de metabolisatie, wat kan leiden tot een verhoging van de plasmaconcentraties van één of beide geneesmiddelen. Mogelijk treden bijwerkingen van ieder afzonderlijk geneesmiddel dan ook eerder op bij gelijktijdige toediening. 2) Convulsies werden gemeld wanneer methylprednisolon en ciclosporine gelijktijdig werden toegediend. Immunosuppressiva - CYCLOFOSFAMIDE - TACROLIMUS CYP3A4-SUBSTRATEN Macrolide antibiotica - CLARITROMYCINE - ERYTROMYCINE CYP3A4-REMMERS (EN -SUBSTRATEN) Macrolide antibiotica - TROLEANDOMYCINE CYP3A4-REMMER NSAID's (niet-steroïdale anti�inflammatoire middelen) - Hooggedoseerd acetylsalicylzuur
1) Een verhoogde incidentie van maagdarmbloedingen en -ulcera is mogelijk bij gelijktijdige toediening van corticosteroïden en NSAID's. 2) Methylprednisolon kan de klaring van hooggedoseerd acetylsalicylzuur verhogen. Deze verlaging van de salicylaat�serumspiegels zou een verhoogd risico op salicylaattoxiciteit met zich mee kunnen brengen wanneer de behandeling met methylprednisolon wordt gestaakt. Kaliumverlagende middelen - THIAZIDEDIURETICA Gelijktijdige toediening van glucocorticoïden en thiazidediuretica vergroot het risico op glucose-intolerantie en hypokaliëmie. Vaccins Toediening van vaccins op basis van levend verzwakte virussen is niet aanbevolen bij patiënten die immunosuppressieve doses van corticosteroïden toegediend krijgen. Geïnactiveerde en biogenetisch bekomen vaccins mogen wel aan deze patiënten worden toegediend; de therapeutische reactie op deze vaccins kan echter verminderen of ze kunnen zelfs ondoeltreffend zijn. Bij patiënten die niet-immunosuppressieve doses van corticosteroïden ontvangen, mogen de nodige immunisatieprocedures ondernomen worden.
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
Indien u tot de volgende bijzondere risicogroepen behoort, moet u regelmatig medisch worden gevolgd:
Kinderen: groeiachterstand is mogelijk bij langdurige behandeling.
Suikerzieken: er kan een verhoogde behoefte zijn aan insuline of andere bloedsuikerverlagende middelen.
Patiënten met een verhoogde bloeddruk.
Patiënten met gemoedsstoornissen.
Patiënten met ontkalking van de beenderen.
Patiënten met nierfunctiestoornissen.
Patiënten met een herpes simplex of zona ter hoogte van het oog, vanwege een risico op perforatie van het hoornvlies.
De kans op bijwerkingen is in het algemeen klein indien dit geneesmiddel slechts gedurende een korte periode wordt gebruikt. Ze kan wel toenemen indien hoge doses worden gebruikt gedurende een lange periode. De belangrijkste bijwerkingen die zich kunnen voordoen zijn:
aandoeningen van spieren en beenderen: spierziekte (myopathie), spierzwakte, groeiachterstand, botontkalking (osteoporose), fracturen, wervelfracturen door verzakking, peesscheuring (vooral de achillespees), weefselvernietiging, ziekten van het gewrichtsstelsel, afname van de spiermassa, pijn in de spieren en gewrichten.
maagdarmstelselaandoeningen: zweer (met risico op perforatie en bloedverlies), bloedverlies in de maag, darmperforatie, ontstekingen (bijvoorbeeld van de pancreas of de slokdarm), opzwelling van de buik, buikpijn, diarree, misselijkheid, braken, problemen met de spijsvertering.
lever- en galaandoeningen: veranderingen van de bloedwaarden bij leverfunctietesten, toename van leverenzymen, leverontsteking (hepatitis).
huidaandoeningen: vertraagde wondheling, dunne en kwetsbare huid, blauwe plekken, kleine bloedingen ter hoogte van de huid, acne, verandering van de huid, roodheid van de huid, oedeem van Quincke (allergische reactie), jeuk (pruritus), netelroos, huiduitslag, overbeharing bij vrouwen (hirsutisme), overmatig zweten, huidstriae.
voedings- en stofwisselingsstoornissen: natriumretentie, waterretentie, verzuring van het bloed (metabole acidose), afwijking van de vetgehalten in het bloed (dyslipidemie), verminderde tolerantie voor suiker, hypokaliëmische (te laag kaliumgehalte in het bloed) alkalose (verhoogde alkaliniteit van het bloed), verhoogde behoefte aan insuline of aan geneesmiddelen die de bloedsuiker verminderen bij suikerzieken, tekens van latente suikerziekte, negatieve stikstofbalans, toename van de eetlust (met mogelijke gewichtstoename), opstapeling van vetweefsel in verschillende delen van het lichaam.
zenuwstoornissen: duizeligheid, verhoogde schedeldruk (met name benigne intracraniale hypertensie), hoofdpijn, , convulsies (stuipen), amnesie, cognitieve stoornis.
psychische stoornissen: euforie, depressie, psychotische stoornis (waaronder manie, delirium, hallucinaties en schizofrenie), psychotisch gedrag, affectieve stoornis (waaronder emotionele instabiliteit, geneesmiddelafhankelijkheid, zelfmoordgedachten), mentale stoornis, persoonlijkheidsstoornissen, stemmingswisselingen, verwardheid, afwijkend gedrag, angst, slapeloosheid, prikkelbaarheid.
hormonale stoornissen: groeistoornissen bij kinderen, vollemaansgezicht (syndroom van Cushing), onderdrukking van de hypothalamus-hypofyse-bijnieras, onregelmatige maandstonden, ontwenningssyndroom (zie rubriek 3 "Als u stopt met het innemen van dit middel").
oogaandoeningen: cataract en glaucoom (verhoogde oogdruk), uitpuilende ogen, aandoening van het netvlies en van het vaatvlies, wazig zien (frequentie niet bekend).
infecties: infectie, opportunistische infectie, allergische reacties en ernstige, mogelijk fatale overgevoeligheidsreacties (met inbegrip van een verhoogde gevoeligheid voor een vreemde stof), buikvliesontsteking (peritonitis).
hartstoornissen: versnelling van het hartritme, ruptuur ter hoogte van het myocard (hartspier) na een infarct, congestief hartfalen (bij gevoelige patiënten).
bloedvataandoeningen: bloedklonters (trombose), verhoogde (hypertensie) of verlaagde (hypotensie) bloeddruk, toegenomen bloedstolling, warmte en rood worden van de huid (overmatig blozen).
- Systemische schimmelinfecties
- Bekende overgevoeligheid voor methylprednisolon of voor één van de ingrediënten.
Er zijn geen of een beperkte hoeveelheid gegevens over het gebruik van methylprednisolon bij zwangere vrouwen. Corticosteroïden dringen gemakkelijk doorheen de placenta. Uit een retrospectieve studie bleek een verhoogde incidentie van een laag geboortegewicht bij zuigelingen van wie de moeder corticosteroïden had gebruikt. Bij de mens is het risico op een laag geboortegewicht schijnbaar gerelateerd aan de dosis en kan het worden geminimaliseerd door lagere doses corticosteroïden toe te dienen. Pasgeboren kinderen van wie de moeder gedurende de zwangerschap behandeld werd met grote hoeveelheden corticosteroïden, dienen zorgvuldig geobserveerd en gecontroleerd te worden op tekenen van bijnierschorsinsufficiëntie. Hoewel neonatale bijnierinsufficiëntie zeldzaam is bij zuigelingen die in utero aan corticosteroïden zijn blootgesteld, dienen de zuigelingen die aan substantiële doses corticosteroïden zijn blootgesteld, zorgvuldig geobserveerd en gecontroleerd te worden op tekenen van bijnierinsufficiëntie. Enige invloed op arbeid en verlossing is niet waargenomen. Uit dieronderzoek is reproductietoxiciteit gebleken (zie rubriek 5.3). Als tijdens de zwangerschap een langdurige behandeling met corticoïdpreparaten moet worden stopgezet (zoals andere chronische behandelingen), dient deze behandeling geleidelijk te worden afgebouwd (zie rubriek 4.2). In bepaalde gevallen (bijvoorbeeld substitutiebehandeling bij bijnierschorsinsufficiëntie) kan het echter nodig zijn om de behandeling verder te zetten of zelfs om de dosis te verhogen. Bij gebrek aan goede onderzoeken naar de effecten van methylprednisolon op de reproductie bij de mens mag dit geneesmiddel alleen tijdens de zwangerschap worden gebruikt na een zorgvuldige beoordeling van de baten-risicoverhouding voor de moeder en de foetus. Borstvoeding Corticosteroïden worden in de moedermelk uitgescheiden. De corticosteroïden die in de moedermelk terechtkomen kunnen de groei remmen en de productie van endogene glucocorticoïden bij met moedermelk gevoede pasgeborenen verstoren. Dit geneesmiddel mag alleen worden gebruikt in de periode dat borstvoeding wordt gegeven na een zorgvuldige beoordeling van de baten-risicoverhouding voor de moeder en de pasgeborene/zuigeling. Vruchtbaarheid Uit dieronderzoek is gebleken dat corticosteroïden de vruchtbaarheid kunnen veranderen (zie rubriek 5.3).
Volwassenen
| CNK | 0055996 |
|---|---|
| Organisaties | Pfizer |
| Merken | Pfizer |
| Breedte | 43 mm |
| Lengte | 69 mm |
| Diepte | 43 mm |
| Hoeveelheid verpakking | 50 |
| Actieve ingrediënten | methylprednisolon |
| Behoud | Kamertemperatuur (15°C - 25°C) |